Categorie archieven: Diversen

Het Groningse Recht en Vrijheid en het basisinkomen

grondslag ener samenleving 1933

grondslag ener samenleving 1933Het basisinkomen is al eerder in de Nederlandse geschiedenis ter sprake gekomen. In de dertiger jaren heeft het in de stad Groningen gewortelde Recht en Vrijheid, dat was gebaseerd op de beginselen van de Amerikaanse econoom en filosoof Henri George (1839-1897), het gehad over dat iedere burger een aandeel zou moeten hebben in de grondpacht, een dividend in de vorm van een basisinkomen. In de jaren dertig had de partij electoraal succes in Groningen. In februari 1937 werd te Utrecht ook de landelijke partij Recht en Vrijheid opgericht.

RECHT EN VRIJHEID
Het in de stad Groningen gewortelde Recht en Vrijheid vormde in de jaren dertig de meest actieve georgistische beweging in Nederland. Op initiatief van Harm Kolthek, de oud-voorman van de Socialistische Partij (SP), kwamen in februari 1931 enige personen bijeen in Groningen om de mogelijkheid te bespreken om een partij te stichten die gebaseerd was op de beginselen van Henry George (1839-1897). Deze Amerikaanse econoom en filosoof had een maatschappelijke leer verkondigd die erop neerkwam dat particulier grondbezit zou moeten worden afgeschaft en dat iedere burger een aandeel zou moeten hebben in de grondpacht. Hierdoor, zo veronderstelde George, zou de vermeerdering van de grondwaarde tot een vermeerdering van de koopkracht en de algemene welvaart leiden. In Nederland vonden de ideeën van George onder meer ingang bij de Bond van Landnationalisatie en de Grondpartij.

Op 11 maart 1931 vond te Groningen de officiële oprichting plaats van de eerste zuiver georgistische vereniging, die de naam ‘Recht en Vrijheid. Vereeniging tot herstel van het gelijke recht van alle personen op den grond’ zou gaan dragen. In juni 1931 verscheen het eerste nummer van het orgaan van de vereniging, het weekblad Recht en Vrijheid. Onder aanvoering van Kolthek nam Recht en Vrijheid in dezelfde maand ook deel aan de verkiezingen voor de gemeenteraad in Groningen. De partij voerde haar campagne vooral onder de winkeliers en de middenstand met een slechts twee punten tellend program: de afschaffing van de dan geldende belastingen en het opeisen van de pachtwaarde van de ‘blote Nederlandsche bodem’ door en voor de gemeenschap. Het leverde Kolthek 907 stemmen op, waarmee de partij nipt de kiesdrempel haalde.

Met zijn felle, soms populistische optreden zou Kolthek veel opzien baren in de Groningse vroedschap. Kolthek bekritiseerde de zijns inziens regenteske, slechts door partijbelangen gedomineerde politieke cultuur in de gemeenteraad. Vooral de SDAP moest het ontgelden, omdat deze partij volgens Kolthek enerzijds de persoonlijke vrijheid van de burgers zou bedreigen, terwijl zij anderzijds haar revolutionaire beginselen te veel had laten verwateren. Ook deed Kolthek tal van voorstellen om een op georgistische beginselen geschoeid gemeentebeleid te voeren. Zijn voorstellen kregen echter weinig navolging in de Groningse gemeenteraad. Niettemin kon Kolthek in de stad op een grote populariteit bogen, onder meer door zijn column in een gratis huis-aan-huisblad (Groninger Courant) waarin hij uitgebreid zijn ervaringen in de Groningse gemeenteraad beschreef. Buiten de stad Groningen had Recht en Vrijheid echter weinig aanhang. Pogingen om een samenwerkingsverband met de Bond tot Hervorming van het Grondeigendom (de voormalige Grondpartij) aan te gaan, liepen in april 1932 spaak. Ook de deelname aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 26 april 1933 was weinig succesvol. De partij wist met haar programma van twee punten slechts 4167 stemmen (0.12%) te verkrijgen, waarvan meer dan een kwart uit de kieskring Groningen afkomstig was.

Meer succes had de partij bij de twee jaar later gehouden verkiezingen voor de gemeenteraad in Groningen. Kolthek richtte zijn gif in deze campagne voornamelijk op het financiële wanbeheer van de gemeente en de vele partijpolitieke benoemingen. Ook wenste hij een verlaging van de tarieven van de nutsbedrijven, een meer progressieve belasting en uiteraard ook de invoering van een grondwaardebelasting. Het leverde Recht en Vrijheid 6606 stemmen op, goed voor maar liefst vijf zetels. Het succes van Kolthek werd onder meer toegeschreven aan het feit dat de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) niet deelnam aan deze verkiezingen. Ook bij de in 1935 gehouden verkiezingen voor de Provinciale Staten van Groningen behaalde Kolthek een zetel.
Ondanks het eclatante succes werd Kolthek buiten de besprekingen voor een nieuw college van B&W gehouden. Vanuit de oppositiebanken zou Kolthek met zijn fractiegenoten wederom de SDAP het vuur na aan de schenen leggen.

In februari 1937 werd te Utrecht ook de landelijke partij Recht en Vrijheid opgericht met Kolthek als de onomstreden voorzitter. De partij sloot zich aan bij The International Union for Landvalue Taxation and Free Trade. De landelijke partij Recht en Vrijheid was echter weinig succesvol. Aan de in juli 1937 te houden verkiezingen voor de Tweede Kamer kon de partij niet deelnemen omdat zij de ingevoerde waarborgsom niet kon opbrengen. Ook kwamen maar weinig afdelingen van de grond, terwijl de door Kolthek gewenste oprichting van een jongerenorganisatie wegens gebrek aan belangstelling geen doorgang kon vinden. Wel werd in 1938 te Sint Annaparochie een Henry George-school gesticht, om de aanhangers te scholen in de maatschappelijke leer van degrote voorman. Daarnaast fuseerde de partij in mei 1938 met het Nederlandsch Verbond tot Afschaffing van het Privaat Grondbezit. Als gevolg van de fusie veranderde de naam van het blad Recht en Vrijheid in Ons Erfdeel.
In de stad Groningen wist Recht en Vrijheid zich wel goed te handhaven. Bij de verkiezingen voor de gemeenteraad van 1939 verloor de partij weliswaar licht, maar behield zij haar vijf zetels. Wederom echter blokkeerde de SDAP Kolthek de toegang tot het college van Burgemeesters en Wethouders. In 1941 werd Recht en Vrijheid op last van de Duitse bezetter ontbonden. Kolthek kreeg van de NSB wel een wethouderspost aangeboden, maar hij weigerde pertinent. Na de bevrijding is nog gepoogd om de vereniging nieuw leven in te blazen. Met het overlijden van Kolthek in 1946 verloor Recht en Vrijheid echter haar gezichtsbepalende figuur. De vereniging Recht en Vrijheid heeft tot in de jaren zeventig een zieltogend bestaan geleid. Aan verkiezingen heeft Recht en Vrijheid niet meer deelgenomen.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Recht_en_Vrijheid

https://www.historici.nl/pdf/kpp/recht_en_vrijheid.pdf

Het bericht Het Groningse Recht en Vrijheid en het basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Een eerbetoon aan Bernard Maris, avant-gardistisch supporter van het Basisinkomen.

bernard-maris-645x318

bernard-maris-645x318Onder de doden van ‪#‎CharlieHebdo‬ was ook Bernard Maris, hij was een econonoom die voorstander was van het basisinkomen. De beweging voor basisinkomen in Frankrijk heeft een van zijn artikelen over basisinkomen opnieuw gepubliceerd:

Een eerbetoon aan Bernard Maris, avant-gardistisch supporter van het Basisinkomen.

Waarom is een Onvoorwaardelijk Basisinkomen belangrijk in de post-kapitalistische wereld?

Chronique de Bernard Maris publié le 27 décembre 2013 sur Charlie Hebdo

Het is natuurlijk eerst en vooral belangrijk te willen geloven in een post-Kapitalistische maatschappij…een geweldloze maatschappij, altruïstisch, met respect voor het milieu, kort, een maatschappij waarin men beseft dat een mens die zich geisoleerd voelt een gevaar kan betekenen voor de waarden die van belang zijn voor een humane wereld. (….)

Het OBi ontkoppelt werk van inkomen en is in dat opzicht een mogelijk virus waaraan de kapitalistische maatschappij ten onder kan gaan.

Uitleg.
De K van Kapitalisme is gebouwd op het zich toeeigenen van commons, op rivaliteit, op het zichzelf verrijken ten koste van anderen en van de maatschappij.
Maar in het hart van dit kwaadaardig vierkant zit ook nog eens de verkeerde energie: betaalde arbeid.
We moeten werken voor ons bestaan: arbeid brengt geld op en geld creeërt arbeid…
Maar de beslissende factor in de accumulatie is niet langer de grondstof, maar wel het menselijk kapitaal, “geschoolde arbeidskrachten” indien u dat verkiest.
Waar vandaan komt menselijk kapitaal? Van de cultuur opgebouwd door de mensheid, van Homerus tot Einstein, van wie u wilt: Lavoisier, Alphonse Allais, Pierre Dac, Alexander Fleming, Picasso …
Elk mens is vanaf zijn geboorte erfgenaam van die cultuur. Erfgenaam van een soort culturele lijfrente zoals een goede bodem of het bos een inkomen voor de boer kunnen zijn.

Filosofisch gezien is het volkomen legitiem om de lijfrente te herverdelen en economen die het OBi steunen achten dat deze lijfrente op 15% van het BBP ligt in Frankrijk. Met andere woorden, 85% van het BBP is afkomstig van de vindingrijkheid (menselijk kapitaal) van de Fransen in 2013, en 15% dat ze geërfd (dat lijkt misschien laag, maar toch).
Die 15% zijn in feite de interest op het menselijk kapitaal dat van generatie op generatie opgebouwd werd.
15% van het BBP aan alle Fransen, rijk of arm, is ongeveer gelijk aan € 400 per maand. En dit je leven lang! Met dat geld doe je wat je wilt: je werkt, je werkt niet, je werkt deeltijds.
Kenmerkend is dat deze regeling een onvoorwaardelijke toekenning is van een minimum voor levensonderhoud (basisinkomen) – dus ook ongeacht of je werk aanvaardt of niet.
In een maatschappij waarin meer en meer automatisatie en robotisatie het werk doen (denk maar aan kassiersters, zelfs piloten, of tram en treinbestuurders…) is het Onvoorwaardelijk Basisinkomen ook een voorwaarde in een systeem waar meer en meer rijkdom wordt geproduceerd door minder en minder mensen, dus door minder en minder betaalde arbeid.

Het probleem is dat loonarbeid, een nog te hoge socialiserende rol speelt op de arbeidsmarkt.

De fabriek speelt zo’n “socialiserende rol”, zelfs als je er niet graag werkt…
André Gorz [1] was omwille van die socialiserende rol van arbeid, lang gekant tegen het OBi.
Daarom denk ik ook dat het OBi je niet van de “arbeidsmarkt” mag weghouden, maar dat het een aanvulling is op het inkomen uit de arbeidsmarkt.
Hier een typisch voorbeeld: een moderner arbeidscontract voor kunstenaars bvb, en het Obi is ook daar een goede aanvulling voor (en ik weet het er zijn filmsterren en filmsterretjes, maar er zijn er altijd die ergens wel van zullen profiteren)
De “intermitterende” ( iedereen die van kunst leeft) schippert in feite constant tussen werken en vrijetijdsbesteding, en omdat hij bezig is met “cultuur” is dat wat hij doet om aan de kost te komen ook “aangenaam” werken.

Het OBi is gerechtvaardigd ook omdat elek mens “mede-bezitter” is van het water, de lucht, de opvoeding, de gezondheid.
En het OBi strookt daarom filosofisch ook niet met de bestaansminima die onze overheden bedenken.
Om daar recht op te hebben moet je werken..
Liberalen denken dat het OBi een classe van parasieten zal doen ontstaan ten koste van de door hen zogenaamde “echte actieven”. Ik denk het niet. Er zullen natuurlijk altijd gedienstige workalcolics zijn.
Maar het OBi ontkoppelt het inkomen van de arbeidsslavernij, en geeft daarmee een flinke deuk in het kapitalistische grondvesten: eindelijk kunnen we “leven” zonder ervoor te moeten gaan werken. Leven zonder er nog voor te moeten werken is als het nobele gevoel dat je krjgt bij het op pensioen gaan, maar…het ouder worden hoort daar ook helaas bij en ik vind: liever een jonge nobele dan een oude nobele….

Zeker, het OBi vereist een altruïstische samenleving, zuinig en slim. Maar het is niet zo veraf meer en het zal er komen…..vrijwillig of onder dwang!

vrij vertaald door Christina Lambrecht
13 januari 2015

Bron: http://revenudebase.info/2015/01/09/hommage-bernard-maris-revenu-existence/
Duiding over André Gorz:
Gorz was actief met Sartre verbonden in de stroming van het existentialisme. Pleidooi om je leven te zien als een project en een oproep om je leven in handen te nemen.
Bijzonder aan Gorz : hij stelt zeer fundamentele vragen die niet meer gesteld worden in onze samenleving. Hoeveel dingen hebben we nodig? Hoeveel moeten we werken? Als we minder dingen nodig hebben moeten we ook minder werken … Waarvoor willen we leven?

Gorz was actief verbonden met Illich. Zoekt naar een leven met veel ‘autonomie’ en ‘bevrijde tijd’. Een boeiend voorbeeld zijn de 3D-printers die zelf dingen maken , een mogelijke voorbode om greep te krijgen op de productie?

Duiding over Bernard Maris:
De econoom begaf zich graag buiten de academie. Behalve voor Charlie Hebdo schreef hij voor de kwaliteitskranten Le Nouvel Observateur, Le Figaro en Le Monde. Op radiozender France Inter had hij een goed beluisterde wekelijkse column onder de naam ‘J’ai tout compris à l’économie’ (‘Ik heb alles over economie begrepen’). Elke vrijdag ging hij het debat aan met een journalist van zakenkrant Les Échos. Maris was een keynesiaan, die sterk geloofde in het aanjagen van de economie door de overheid.
Hij was ook politiek actief voor de Groenen en had zitting in de zogeheten wetenschappelijke raad van antiglobalistengroep Attac. Maris publiceerde enkele boeken over economie, met kleurrijke titels als ‘Ah Dieu! Que La Guerre économique est jolie’ (‘Mijn God! Wat is economische oorlogsvoering toch heerlijk’) en ‘Lettre ouverte aux gourous de l’économie qui nous prennent pour des imbéciles’ (‘Open brief aan de goeroes van de economie die denken dat we achterlijk zijn’).
Ondanks zijn maatschappelijk succes voelde Maris zich diep verbonden met Charlie Hebdo. Hij was één van de medeoprichters en mede-eigenaar en tot 2008 adjunct-hoofdredacteur. In december 2010 sprak Maris in zijn radiocolumn over de onvoorspelbaarheid van de toekomst. ‘Ik denk dat er een nieuwe financiële crisis aankomt, dat de eurozone balkaniseert, zij is al gebalkaniseerd.
bron: http://fd.nl/…/…/bernard-maris-huiseconoom-van-charlie-hebdo

Het bericht Een eerbetoon aan Bernard Maris, avant-gardistisch supporter van het Basisinkomen. verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Londense metro’s confronteren reizigers met de zinloosheid van hun baan

Na de kerst reisden op maandagochtend ontelbaar veel chagrijnige, vermoeide, verzuurde mensen voor het eerst weer naar hun werk. Een aantal van die mensen in London – zo’n beetje Europa’s grootste knooppunt als het gaat om ochtendmisère – werd pijnlijk met hun neus op de feiten gedrukt door zo’n 200 posters die in de treinen hingen, […]

The post Londense metro’s confronteren reizigers met de zinloosheid van hun baan appeared first on Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

De vier bezwaren van Andreas Tirez tegen het basisinkomen op hun plaats gezet.

Reyerbrons

ReyerbronsIn een blog van 31-12-2014 komt Andreas Tirez met Vier bezwaren tegen een basisinkomen[1]. Een verkorte versie van de blog is in De Tijd gepubliceerd onder de titel Financiering basisinkomen loopt mank[2]. Zijn bezwaren gaan over de betaalbaarheid, de radicaliteit van een (hoog) basisinkomen, de rechtvaardigheid en het zogenaamde bevrijdende aspect van een basisinkomen. Hier een repliek.

Betreffende de betaalbaarheid stelt hij geen berekening te hebben gezien die de betaalbaarheid aantoont, als je de effecten van ander gedrag van mensen na invoering van een basisinkomen als neutraal inschat.  De berekening achter de Panorama-uitzending[3]  voldoet daar volgens hem niet aan. Daar heeft hij volgens mij een punt.
Maar hij eist dat voorstanders wel zo’n berekening moeten laten zien.
Het stellen van zo’n eis is een tikkeltje onredelijk. De financiële effecten van grote projecten moeten uiteraard ingeschat worden, maar bijvoorbeeld bij infrastructurele projecten gebeurt dat meestal op een manier die achteraf twijfelachtig lijkt. Daar moeten we niet aan nee gaan doen!

Het lijkt mij evident dat het invoeren van een basisinkomen voor iedereen, van welke hoogte dan ook, bij ongewijzigd gedrag van iedereen, middelen vergt die elders gevonden moeten worden. Bij degenen die thans inkomen genieten kunnen we het basisinkomen deels of geheel compenseren door de belastingvoordelen en/of de uitkeringen te verlagen. Dat lukt niet voor degenen die thans geen enkel inkomen hebben, dus het geld daarvoor betreft extra uitgaven.

Het lijkt me voor de hand liggend dat invoering van het basisinkomen niet in één klap gaat, maar dat eerst wordt geëxperimenteerd en/of dat invoering geleidelijk plaats vindt.  Dat biedt ruimte om na te gaan of de gedragseffecten inderdaad neutraal zijn. IK denk, gezien de vele kleinschalige experimenten dat de effecten positief zijn, maar of dat in onze maatschappij ook zo is moet inderdaad nog ervaren worden!
Verder is het de vraag of je erg dramatisch moet doen over het financieringsprobleem. Als we het basisinkomen gefaseerd invoeren en niet in één klap, hebben meerdere jaren de tijd om  de overheidsuitgaven en/of het belastingstelsel (en de belastinggrondslagen) daaraan aan te passen.

Het bezwaar van Andreas Tirez tegen de radicaliteit is vooral een bezwaar tegen invoering in één klap, wat inderdaad een bijna ongekende revolutie zou zijn. Zijn angst dat de goede kanten van onze huidige economie daarmee op het spel gezet wordt, is ongegrond als we besluiten tot een gefaseerde aanpak.

In de toelichting van zijn bezwaar betreffende de rechtvaardigheid spreekt hij de veronderstelling uit dat het basisinkomen vooral ten goede zal komen van degenen die het minder nodig hebben, zoals werkenden en studenten. Voor de uitkeringsgenieters verandert er volgens hem niets aan hun financiële toestand.
Ook hier gaat Andreas Tirez uit van neutrale gedragseffecten, terwijl evident is dat met name de uitkeringstrekkers heel anders in het leven zullen staan als ze niet om de haverklap moeten voldoen aan de eisen van de uitkeringsinstanties. En voor wat betreft betaalde arbeid: via de belastingen zal hun basisinkomen geheel of gedeeltelijk teruggehaald worden en ook werkgevers zullen rekening gaan houden met het bestaan van basisloon. Zowel het individuele als het collectieve overleg over arbeidsvoorwaarden zal heel anders gaan verlopen thans het geval is. Over gedragsverandering gesproken!
Als (of zolang) een basisinkomen niet hoog genoeg is om helemaal onbekommerd van rond te komen, lijken mij aparte uitkeringen voor bijvoorbeeld permanent gehandicapten een noodzakelijke voorziening naast een basisinkomen.

Zijn bezwaar voor wat betreft de vrijheid loopt een beetje uit in een bijna filosofisch betoog over een gewenste levensstandaard. De strenge eis aan het eind dat voorstanders van een basisinkomen hard moeten maken waarom het leven volgens de levensstandaard van 1980 niet voldoende is om anno 2014 “het goede leven” te kunnen leiden, is dan ook wat gezocht.
Wat meer praktisch lijkt me in elk geval veel vrijheid te ontstaan doordat de ‘genieters’ van de sociale zekerheid bevrijd worden van de soms draconische communicatie met de uitvoeringsinstanties.
Ik deel overigens wel de kritiek op de wat idyllische wereld die sommige voorstanders van het basisinkomen voor zich zien. Nog steeds zal zo nu en dan iemand iets moeten doen om ons ‘goede leven’ mogelijk te maken! En dat zal zeker sociale druk op blijven leveren!

Al met al ben ik niet overtuigd dat de bezwaren van Andreas Tirez hout snijden bij een verstandige invoering van het basisinkomen. Wel bij onverhoeds snelle invoering, maar dat  ziet toch niemand als serieuze optie?

Commentaar door: Reyer Brons, Netwerk Politieke Innovatie https://npi.pleio.nl/

Originele artikelen[1][2]: Andreas Tirez is kernlid van de Belgische liberale denktank Liberales en blogt op Economieblog.be.

[1] http://www.economieblog.be/wordpress/vier-bezwaren-tegen-een-basisinkomen/

[2] http://www.tijd.be/tablet/newspaper_opinie/Financiering_basisinkomen_loopt_mank.9583630-7316.art

[3] https://medium.com/@panoramacanvas/panorama-iedereen-een-basisinkomen-bc0b5005ca6f

Het bericht De vier bezwaren van Andreas Tirez tegen het basisinkomen op hun plaats gezet. verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

basisinkomen, de beste manier om de arbeidsmotivatie te verzwakken

De-Grauwe

De-GrauweIn een opiniestuk in De Morgen betoogt Paul de Grauwe “Een universeel basisinkomen kan nooit van de grond komen” zijn conclusie is dat “het enige realistische systeem  er een is waar het basisinkomen beperkt wordt tot diegenen die het nodig hebben.” [1]

Een universeel basisinkomen dat als ambitie heeft de armoede uit de wereld te helpen, is dus immens duur. Dat hoeft ook niet te verwonderen. Om de armen (een minderheid van de bevolking) een basisinkomen te geven moet je ook aan de grote meerderheid die het niet nodig heeft hetzelfde bedrag uitbetalen. Dat leidt tot een nieuw probleem. De werkende meerderheid krijgt een basisinkomen dat losstaat van de arbeidsinspanning, maar zal extra belastingen (en geen klein beetje) moeten betalen op zijn arbeidsinkomsten. En dat is de beste manier om de arbeidsmotivatie te verzwakken.

Meneer de Grauwe heeft de afgelopen tijd waarschijnlijk te veel achter de verouderde boeken gezeten, en is de realiteit een beetje kwijt geraakt. Er zijn diverse modellen die aangeven dat een universeel basisinkomen 1) wel haalbaar is en 2) door iedereen onvoorwaardelijk moet zijn omdat dit zonder aanziens des persoons zorgt voor een sociale bodem in de maatschappij.[3]
Misschien gaat hij zijn  foute idee over het Universele Basisinkomen ook nog eens toegeven.[4]

Een ingezonden brief uit België van Tom geeft hierop een reactie, ook om de overige twijfelaars omtrent de (financiele) haalbaarheid van het basisinkomen te overtuigen.


Beste Paul,
Sinds geruime tijd ben ik door burn-out aangewezen op de ziekteverzekering. Het verhaal van deze firma waar ik samen aan gebouwd heb beslaat 1/3 van mijn leven. Met volle inzet, passie, en motivatie ben ik dag en nacht beschikbaar geweest voor de collega’s, de klanten, om dit bedrijf te helpen groeien.

Het begon als operator en na 4 jaar kreeg ik de mogelijkheid om collega’s op te leiden, te steunen, te coachen.
( hetgeen gezien ook mijn opleiding als maatschappelijk werker een fantastische opportuniteit voor me was)
Ik kreeg een gsm van het werk opdat ik steeds bereikbaar kon zijn, en dit was ik ook.
Dit was niet altijd een geschenk, want ik was altijd te bereiken ( 24/24, 7/7), de collega’s kunnen dit bevestigen.
De scheidingslijn werk, privé was bij momenten niet makkelijk te trekken, maar daar had ik geen probleem mee.
Gezien mijn inzet, beschikbaarheid, motivatie, resultaat kreeg ik ook het ” verworven recht” op een vast uurrooster dat ik aanwezig kon zijn op bureel.Voor mij was dit een enorme opluchting, gezien de afstand die ik dagelijks afleg per trein.

Niemand heeft ooit klachten geformuleerd over mijn werkzaamheden (klanten, collega’s, de werkgever zelf)
Op een bepaald ogenblik wordt dan een beslissing genomen en word ik afgeschilderd als iemand die niet gemotiveerd is, die mensen demotiveert, die geen resultaat behaald…. zonder meer, zonder enige uitleg.
Was ik een slechte coach? Omdat ik bijsprong waar nodig opdat de dagelijkse activiteiten zouden voortgezet kunnen worden (door werkvolume, door afwezigheden, enz.)
Ik vind het belangrijk tussen de mensen te staan, de rots in de branding die ik altijd ben geweest. Dit werd ook ten zeerste geapprecieerd door de collega’s: “voor alles kunnen we bij Tom terecht en we zijn zeker dat hij ons ook vooruit zal helpen.”

10 jaar van mijn leven kan ik niet zomaar achter mij laten.
Ik heb te hard gewerkt, me teveel ingezet. ( dit kan eveneens gerust nagevraagd en bevestigd worden door de collega’s) Voor mij lijkt het logisch dat hard werken, inzet beloond wordt.
Niet dus…, daar heb ik het moeilijk mee, en ik ben zelf op zoek naar uitleg of motivering en tot op heden heb ik deze nog steeds niet gevonden.

Ik ben te duur om ontslagen te worden en daarom laat men mij maar wat aanmodderen… terwijl geld voor deze firma geen probleem is…. Iedereen dient toch het “arbeidsspel” correct te spelen!!!
Maar goed, om een inkomen te blijven hebben ben ik dus aangewezen op het administratief kluwen van regeltjes en administratie tussen werkgever en ziekenfonds.

Was reeds 3 maand zonder inkomen gezien de nodige formulieren niet werden overgemaakt aan het ziekenfonds door mijn werkgever en nu december wederom (als bediende wordt vakantiegeld uitbetaald en loopt het maandloon verder via de werkgever, dus kreeg ik bericht van het ziekenfonds dat in december geen uitkering wordt betaald en daar de werkgever wettelijk verplicht is het normale maandloon uit te betalen in december).
Hetgeen vooralsnog niet gebeurd is: op aanraden van mijn vakbond moet ik nu eerst aangetekend schrijven naar mijn werkgever…..

Ondertussen wat? (en ja er zijn mensen die het nog veel erger hebben dan mij) naar het OCMW…. Voor eerst een middelentoets procedure en een beslissing van de OCMW-raad?
De dagen passeren ondertussen….. geen werk geen eten…..

Daarom ook het onvoorwaardelijke karakter van het basisinkomen! Het “arbeids”leven maakt gekke sprongen!

Dank, moest me even van het hart!

Voor iedereen een fijn 2015 en samen verder voor het onvoorwaardelijk basisinkomen!
Tom

 

[1] http://www.demorgen.be/opinie/een-universeel-basisinkomen-kan-nooit-van-de-grond-komen-a2166604/

[2] http://nl.wikipedia.org/wiki/Paul_De_Grauwe

[3] http://basisinkomen.nl/wp/modellen

[4] http://www.hln.be/hln/nl/1265/Onderwijs/article/detail/1350346/2011/11/18/Paul-De-Grauwe-geeft-foute-ideeen-over-financiele-markten-toe.dhtml

Het bericht basisinkomen, de beste manier om de arbeidsmotivatie te verzwakken verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Barrières voor Basisinkomen eerder politiek dan economisch

univgent

univgent

In deze paper wordt het idee van het BI in zijn normatieve en economische aspecten bekeken. Het is een masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van Master of Science in de Algemene Economie door Mike Janssens.

Een BI houdt een universele en institutionele visie in over de rol van de welvaartstaat. Het breekt daarmee radicaal met de residuele en selectieve visie op de welvaartstaat dat vandaag zo dominant is. Een BI kan worden gerechtvaardigd en bekritiseerd vanuit diverse filosofische uitgangspunten. Duidelijk is dat de normatieve en economische discussie, over het BI en herverdeling in het algemeen, onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn. Een voorzichtige vaststelling is dat de grootste barrières voor een BI eerder van politieke dan economische aard zullen zijn.

Het besproken optimale belastingmodel van Atkinson geeft een intuïtief beeld op de kwesties van efficiëntie en billijkheid. Het toont aan dat de keuze voor een optimale belasting sterk afhankelijk is van verschillende gekozen parameters, en dan voornamelijk van de voorkeur van herverdeling en de arbeidsaanbodselasticiteit. Daarbij komt nog dat de veronderstellingen van het model en voornamelijk de manier waarop het arbeidsaanbod gemodelleerd is sterk de mogelijke uitkomsten bepalen. De besproken empirische onderzoeken toonden aan dat een negatieve impact op herverdeling en het arbeidsaanbod redelijk beperkt bleven. Met name de disincentives op het arbeidsaanbod blijken niet van die orde dat  een onvoorwaardelijk BI economisch onhaalbaar zou zijn. Het impliciete hoge marginaal belastingtarief op uitkeringsgerechtigden kan dankzij een BI dramatisch naar omlaag en bestrijd zo effectief de werkloosheidsval. Daartegenover staat een mogelijk hoger gemiddeld belastingtarief op alle inkomens.

Een onmiddellijke implementatie van een puur BI zou naar alle waarschijnlijkheid een te grote economische schok teweegbrengen. Een geleidelijke transitie, waar een partieel BI en een gedeelte van de voorwaardelijke systemen naast elkaar blijven bestaan, zal een overgang meer realistisch en politiek haalbaar maken. Het laat daarbij ook toe de kosten gaandeweg te controleren. Belangrijk is dat een implementatie van een BI niet op zichzelf kan staan maar plaats moet vinden binnen het kader van een omvangrijke hervorming op verschillende vlakken. Een effectief migratiebeleid en de regulering van de huurmarkt zijn hiervan enkele voorbeelden.

In deze paper wordt enkel gekeken naar de mogelijke impact van een BI in België, gefinancierd door een lineaire belasting op arbeid. Dit sluit het gebruik van een gradueel belastingstelsel niet uit. Er zijn evenwel talloze andere scenario’s denkbaar om een BI op supranationaal niveau te organiseren en te financieren via andere vormen van belastingen. Een BI kan bijvoorbeeld een rol spelen in de roep naar een meer sociaal en solidair Europa om een Europees sociaal vangnet te creëren.

Er bestaat een significant gebrek aan grondige en diepgaande empirische studies in België. Het kan zeker interessant zijn verder empirisch onderzoek te doen naar de mogelijke effecten van een BI in België en andere Europese landen. Het Europees burgerinitiatief dat op korte-termijn het doel heeft dergelijk onderzoek te doen in de gehele Europese Unie kan handig zijn om deze kloof op te vullen.

Microsimulatiemodel kunnen een goede bijdrage leveren maar een goed doordacht en omvangrijk natuurlijk experiment is in staat zowel de economische als de sociale aspecten te onderzoeken.
Impliciet wordt verondersteld dat een BI paste bij welvarende industriële landen. Het zou echter verkeerd zijn een BI niet te overwegen als onderdeel van het sociaal beleid in ontwikkelingslanden. Hierbij mag men niet vergeten dat bijvoorbeeld in België al enorm veel sociale voorzieningen zijn opgebouwd die complementair kunnen zijn aan het BI. Het mag daarom niet zomaar beschouwt worden als een substituut voor goede instituties en sociale wetgeving.

Hieronder de hele paper
Bron: http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/164/811/RUG01-002164811_2014_0001_AC.pdf
RUG01-002164811_2014_0001_AC

Het bericht Barrières voor Basisinkomen eerder politiek dan economisch verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

5 stappen op weg naar OBi-ambassadeursschap

Dit stuk is een vertaling van een verhaal geschreven door  Scott Santens een van de moderatoren van de subReddit over basisinkomen[1]. Het is gericht op de Verenigde Staten, maar kan natuurlijk ook gebruikt worden voor Europa. (Cursivering van de Nederlandse redactie) Dus je wilt helpen het Onvoorwaardelijke Basisinkomen te promoten? De belangrijkste doelstelling is dat  informatie over OBi […]

The post 5 stappen op weg naar OBi-ambassadeursschap appeared first on Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

Panorama, Iedereen een basisinkomen

panorama

panoramaStel: iedereen krijgt maandelijks 1500 euro op zijn of haar rekening. Onvoorwaardelijk, of je nu werkt of niet. Voor sommigen klinkt dat als muziek in de oren, anderen vinden het een belachelijk, onwenselijk en niet te realiseren idee. En dan vooral omdat het onbetaalbaar zou zijn.

Het is net die berekening die we hieronder maken.

Eenvoudig dus. Maar zet u toch maar even. De becijfering ziet er uit als volgt.

Kost Basisinkomen

157,6 miljard_______________________ (1500 euro per maand vanaf 18 jaar)
5 miljard__________________________ (200 euro per maand vanaf 18 jaar)
19 miljard____________________________ (alle persoonlijke verzekeringen)
4,8 miljard_________________________________ (kapitaalsverzekeringen)
1 miljard_____________________________________________ (opleidingen)

187,4 miljard nodig voor de financiering van het basisinkomen in België

Vermeden overheidskosten

Geen pensioenen meer__________________________________-41,2 miljard

Geen werkloosheidsuitkeringen meer______________________-11,2 miljard
Geen kinderbijslag meer__________________________________-6,4 miljard
Geen andere uitkeringen meer____________________________-11,9 miljard

187,4–70,7= 116,7 miljard waar we nog naar op zoek moeten

Rationalisering van het overheidsapparaat

Minder administratie en logistiek

Minder subsidies en premies______________________________-25,5 miljard

116,7–25,5= 91,2 miljard waar we nog naar op zoek moeten

Extra Opbrengsten

Gemiddelde verhoging van de BTW naar 25% _________________16 miljard

Verhoging van de registratierechten naar 25%__________________5,3 miljard
Vermogensbelasting van 25%______________________________29,2 miljard
Belasting op meerwaarde van 25%_____________________________3 miljard
Aanpassing van de personenbelasting_______________________22,9 miljard
Aanpassing belastingen rechtspersonen_______________________4,2 miljard
Aanpassing roerende voorheffing____________________________2,8 miljard
Herstel van 50% op fiscale en sociale fraude____________________12 miljard

91,2–95,4= -4,2 miljard. Winst dus, van goed vier miljard.

Koopkracht

De koopkracht kan stijgen, dat gebeurde in het experiment in Namibië. Maar een exacte projectie van de koopkracht is in dit statisch model niet mogelijk.

Volgens dit model kan het dus wel. Tijd voor andere argumenten en discussie. Als we al voor een basisinkomen kiezen, is er dat niet van vandaag op morgen. Het zou ook kiezen zijn voor een heel andere overheid. Aan u de keuze, discussieer mee.

Het bericht Panorama, Iedereen een basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

40% haalt het niet-veel-maar-toereikendcriterium niet

arm-maar-toereikend

adriaanplankenDe actualiteit van het Basisinkomen – week 50 2014 – over De hoogte van het Onvoorwaardelijk Basisinkomen (OBi)

Hoe je het ook wendt of keert, bij veel voorstanders van een Onvoorwaardelijk Basisinkomen is bestrijding van armoede[1] en een betere verdeling van betaalde arbeid de zaak waar alles om draait. Hierom lijkt het voor de hand liggend uit te gaan van een OBi dat hoog genoeg om uit de armoede te blijven. Ook ligt het voor de hand om de hoogte van het OBi te bepalen aan de hand van de kosten voor levensonderhoud voor een alleenstaande. De vier criteria waaraan het OBi volgens ons moet voldoen zijn immers dat, naast dat het voldoende hoog en onvoorwaardelijk is, iedereen het individueel krijgt.

Armoede in Nederland
Over wat armoede is bestaat geen eenstemmigheid. Er wordt vaak beweerd dat er in Nederland geen armoede bestaat, zelfs door onze minister president. Wij kennen namelijk het sociaal minimum: een bedrag dat iedereen minstens nodig heeft om in zijn of haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Het is gelijk aan de hoogte van de bijstand. De hoogte daarvan is gekoppeld aan het minimumloon. De hoogte daarvan aan de ontwikkeling van de gemiddelde cao-lonen. Welke “gentlemen’s agreement” daaraan ten grondslag ligt is mij niet bekend. Voor alleenstaanden van 21 jaar en ouder (tot de pensioengerechtigde leeftijd) komt het in ieder geval neer op € 679,75. Met de vakantie- en zorgtoeslag erbij wordt dit € 798,75. Na aftrek van de verschuldigde belasting € 734,00.

Volgens de minimum-voorbeeldbegroting van het NIBUD[2] voor 2014 heeft een alleenstaande echter € 975,00 nodig. Zou je deze persoon ook nog een kleine toelage gunnen voor sociale participatie, dan heeft deze € 1020,00 nodig en blijft deze met een tekort van € 286,00 zitten, als hij op basis van de bijstand slechts over een budget van € 734.00 kan beschikken.

In het “Armoedesignalement 2013”[3] hanteren het CBS en het SCP samen twee maten om te bepalen wat armoede is. De maat die het beste met de minimum-voorbeeldbegroting van het NIBUD te combineren valt is die van het “niet-veel-maar-toereikendcriterium”. Dit komt neer op een netto bedrag van minimaal € 1042,00 per maand. Hiermee zou men op her eerste gezicht mee rond moeten kunnen komen. Een bijstandsuitkeringsgerechtigde krijgt dit bedrag echter niet.

Armoede is het langdurig rond moeten komen met een bedrag dat onvoldoende is om in levensonderhoud te kunnen voorzien (waarbij ook hoort het jezelf kunnen ontplooien d.m.v. sociale contacten in sport, muziek, toneel of welke andere hobby ook). Dit is zoals uit bovenstaande blijkt bij alleenstaanden die van de bijstand moeten leven het geval.

De mensen die buiten de boot vallen oftewel per maand minder op hun bankrekening kunnen bijschrijven dan wat zij volgens het “niet-veel-maar-toereikendcriterium” nodig hebben, ondervinden de volgende problemen:
Bijna 40% van de armen heeft moeite financieel rond te komen. [4]  Een kwart van de arme huishoudens ervaart financiële verplichtingen zoals woonlasten, persoonlijke leningen, een doorlopend krediet of een krediet als zwaar om aan te voldoen. De meerderheid van arme huishoudens ervaart financiële beperkingen, zoals het hebben van onvoldoende geld voor het verzorgen van een warme maaltijd met vlees, kip of vis om de dag. Idem voor het goed verwarmen van het huis, het te eten vragen van familie en/of kennissen, het regelmatig kopen van nieuwe kleren, het jaarlijks een week op vakantie gaan, het doen van onverwachte noodzakelijke uitgaven en/of het vervangen van versleten meubelen (zie figuur 3.12) .

arm-maar-toereikend

De gevolgen hiervan op lange duur laten zich raden: verloedering op alle gebied, het raken in een sociaal isolement , afgunst en criminaliteit. Doorgaan met ons huidige financiële bestel waaronder het zorgen voor sociale zekerheid ook valt, zorgt alleen maar voor toename van bovengenoemde gevolgen van langdurige armoede, want veel mensen leven met dit systeem langdurig met een financieel te kort. Het zorgen voor een basisinkomen kan deze misstanden de wereld uit helpen. Thomas Moore gaf in 1525 al aan dat je criminaliteit het beste met het zorgen voor een goede financiële bedding kunt bestrijden. Laten we er mee beginnen.

Wat heeft iemand nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien?
Wie kunnen dit beter aangeven dan de armoede-ervaringsdeskundigen? Laten we dit dan ook in kaart gaan brengen.

Wat kunnen we verwachten van de invoering van een OBi?
Opheffen van de armoedeval en verminderde regelgeving zijn de enige effecten van het invoeren van een onvoorwaardelijk basisinkomen waar we bij voorbaat al zeker kunnen zijn. Alle andere effecten die we uit bovenstaande en uit de criteria waar zo’n OBi volgens ons aan moet voldoen af kunnen leiden moeten nog maar blijken in de praktijk. Experimenteren dus.

Als zo’n OBi is ingevoerd, zou je doordat het voor iedereen is mogen verwachten dat de stigmatiserende werking door het ontvangen daarvan verdwijnt. Iedereen krijgt het dan immers. Waarom zou je de ander die het ook krijgt nog met de nek aankijken? Voor de mensen die betaald werk hebben zal er niet zo veel veranderen. Ja zij krijgen allemaal een belastingvrije voet ter hoogte van het OBi. De loonkosten worden minder. Doordat het hoog genoeg is mag je verwachten dat iedereen kan voorzien in eigen levensonderhoud en als volwaardig lid aan de samenleving kan deelnemen. Als het hoog genoeg is, een individueel recht én onvoorwaardelijk hoeft niemand meer onder de knoet te zitten van werkgevers, partners en uitkeringsinstanties en wordt iedereen dus bevrijd van dat juk en soeverein met betrekking tot de eigen ontplooiing.

Het zal wel even duren voor zo’n OBi is ingevoerd. Daarna zal het ook nog wel even duren voor alle zegeningen die we ervan kunnen verwachten tot uiting komen. Niets hoeft ons ervan weerhouden het ideaal om “niemand laten verkommeren” uit te dragen en waar te maken. Wat weerhoudt ons er van door middel van een experiment uit te zoeken of dat wat we ervan verwachten inderdaad klopt?

Met hartelijke groet,

Adriaan Planken

Noten

Het bericht 40% haalt het niet-veel-maar-toereikendcriterium niet verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Het recht op luiheid en individuele onteigening

Frank Brand

Jij daar, jij die een job hebt die je bevalt, die een zelfstandig beroep uitoefent en die de knoet van de baas niet té veel voelt. Jij ook, uitgebuite, die zich onderwerpt door berusting of lafheid: hoe durf je zo hard diegenen veroordelen die tot de aanval tegen de vijand overgegaan zijn?

Wij hebben je maar één ding te zeggen : “stilte!”, uit eerlijkheid, uit waardigheid, uit trots. Voel je hun lijden niet? Hou je bek! Heb je hun stoutmoedigheid niet in je? Nogmaals, hou je bek!

Hou je bek, want je kent de folter van de gehate arbeid en uitbuiting niet.

Sinds lang wordt het recht op arbeid, het recht op brood opgeëist terwijl de arbeid, eerlijk gezegd, bezig is ons af te stompen. We zijn niets anders meer dan wolven op zoek naar werk – een stabiel en vast werk – en deze zoektocht verbruikt al onze geestdrift. We zijn voortdurend op zoek, geobsedeerd door arbeid. Deze bezorgdheid, deze obsessie onderdrukt ons, het laat ons niet met rust. En het is niet dat we arbeid leuk vinden. Integendeel, we haten het, vervloeken het: dat verhindert niet dat het ons ontbreekt en dat we het overal gaan zoeken. En wanneer we erop schelden, dan vervloeken we het omdat het van ons weggaat, omdat het niet stabiel is, omdat het ons achterlaat – na een weinig tijd: zes maanden, een maand, een week, een dag. Na die week of dag, begint de zoektocht opnieuw, met alle vernedering van onze waardigheid als mensen die dat met zich meebrengt; met de spot dat dat veroorzaakt in onze magen; met de morele belediging tegen onze trots van individuen die zich bewust zijn van deze belediging, die verslappen en die hun rebelse rechten van anarchisten laten vertrappelen.

Wij anderen, anarchisten, voelen de vernedering van deze strijd om de honger te ontkomen en lijden onder de belediging te moeten bedelen voor een snee brood die ons nu en dan wordt toegekend als een aalmoes, en op voorwaarde dat we ons anarchisme afzweren of het op de zolder voor de nutteloze oubolligheden opbergen (als jullie geen illegale middelen willen gebruiken om jullie recht op leven te verdedigen, dan zal alleen het kerkhof rust bieden), en we lijden er nog meer onder omdat we ons bewust zijn van de onrechtvaardigheid tegen ons. Maar waar ons lijden groeit tot het een tragisch karakter krijgt, wanneer de schaamtelijke komedie van het valse medelijden rondom ons heen groeit, dan bijten we onszelf van woede om onze onmacht, maar ook omdat we ons een beetje laf voelen – een lafheid die soms verantwoord is, maar die bijna nooit een rechtvaardiging kent tegenover die smerige en cynische hypocrisie die ons, wij arbeiders, voordoet als de profiteurs van de arbeid, terwijl we er de weldoeners van zijn; die ons in een toestand van bedelaars plaatst wiens honger men stilt uit barmhartigheid terwijl het in werkelijkheid wij zijn die alle parasieten te eten geven, terwijl wij hun de welvaart verschaffen waarover ze beschikken. Dat wij onze levens verbruiken tussen de horrors van de ontbering om die van hen met plezier te bevredigen, dat wij hun groei mogelijk maken, hun plezier – hun luiheid – terwijl we ons bewust zijn van de plundering waaraan ze ons onderwerpen. Ze willen ons zelfs met dwang verbieden om te glimlachen bij de wonderen van de natuur, want ze beschouwen ons als werktuigen, niets meer dan instrumenten om hun parasietenleven te verfraaien.

We kennen de absurditeit van onze geestdriften, we voelen het tragische, of eerder, belachelijke van onze situatie aan : we schelden, we vervloeken, we worden gek en we voelen ons laf, maar blijven onder invloed (zoals eender welke sterveling!) van de omgeving die ons omringt, die ons verstrikt in een net van frivole verlangens, van bekrompen ambities van ‘arme kerels’ die geloven hun materiële omstandigheden een beetje te verbeteren door te proberen een broodkruimel van tussen de tanden van de wolf te peuteren – van diegenen die de rijkdom bezitten en verdedigen. Een kruimel die we alleen maar bekomen aan de hoge prijs van ons vlees en ons bloed dat in het raderwerk van het sociale mechanisme achterblijft.

En, ondanks onszelf, uit noodzaak of door collectieve suggestie, laten we ons meeslepen door de wervelwind van de gemeenschappelijke waanzin. Eens de krachten in ons gebroken zijn, de krachten die ons integer houden voor ons bewustzijn dat duidelijk inziet en weet dat we er zo nooit in zullen slagen om de ketens die ons in slavernij houden te vernietigen, omdat je de autoriteit niet vernietigt door ermee te collaboreren, evenmin als je de offensieve kracht van het kapitaal vermindert wanneer we met onze arbeid, met onze productie haar accumulatie bevorderen; eens dat dit verzet gebroken is, zeg ik, dan beginnen we onze pas te versnellen en carrière te maken, een strontcarrière zonder kop noch staart, die ons alleen maar tijdelijke oplossingen biedt, altijd ijdele en nutteloze oplossingen.

Wat valt er te zeggen ? Winstbejag? Invloed van de omgeving? Absurditeit ? Een beetje van alles, hoewel we weten dat we met onze arbeid, in de omstandigheden van het kapitalistische systeem, geen enkel essentieel probleem van onze levens oplossen, met uitzondering van zeldzame bijzondere gevallen en speciale omstandigheden.

Elke verhoging van onze productieve capaciteit in het huidige sociale systeem geeft geen ander resultaat dan een verhoging van de uitbuiting op onze kap. Diegenen die beweren dat rijkdom de vrucht is van arbeid, van eerlijke en individuele arbeid, zijn bedriegers.

Maar vooruit. Waarvoor dient het om tijd te verspillen met het demonteren van de sofismes van bepaalde economische theorieën die noch oprecht, noch eerlijk zijn en die slechts de armen van geest – jammer genoeg vormen zij de meerderheid in de maatschappij – kunnen overtuigen; theorieën die geen ander doel hebben dan te verhullen met de schijn van de legaliteit en het recht van de grimmige belangen. Jullie weten allemaal dat eerlijke arbeid, de arbeid waarbij niemand uitgebuit wordt voor niemand in dit systeem comfort gebracht heeft, en nog minder rijkdom, aangezien die de vrucht zijn van de uitputting en de uitbuiting en die alleen maar te onderscheiden vallen van de misdaad door hun uiterlijk aspect. Ondanks alles interesseert een relatief materieel comfort na de uitputting van onze spieren en onze hersenen ons niet: wij willen daarentegen welzijn dat we bekomen door de volledige en absolute toeëigening van het product van onze inspanningen, de onbetwiste toeëigening van alles wat individuele schepping is.

We zijn dus bezig om ons bestaan te consumeren ter exlusief profijt van onze uitbuiters doordat we een illusoir materieel comfort achternahollen dat eeuwig vluchtig, nooit concreet realiseerbaar, stabiel is, omdat de bevrijding van de economische slavernij niet kan bekomen worden door een versnelling van onze activiteit in de kapitalistische productie, maar door de bewuste, nuttige schepping en de toeëigening van wat men produceert.

Het is vals om te beweren dat “het een mooie beloning, een fijn loon is voor een schone werkdag.” Deze zin zegt dat er diegenen moeten bestaan die produceren en diegenen die zich meester maken van het product en nadat ze een groot deel voor zichzelf gebruikt hebben – hoewel ze het niet geproduceerd hebben – verdelen ze volgens absurde, volledig willekeurige criteria en principes wat ze gepast achten om terug te geven aan de echte producent. Ze stelt de gedeeltelijke herverdeling, de diefstal, de onrechtvaardigheid in: ze schept tegelijkertijd, de facto, de uitbuiting.

De producent kan een gedeeltijke herverdeling niet aanvaarden als eerlijke en rechtvaardige basis. Enkel de integrale toeëigening kan de basis leggen voor Sociale Rechtvaardigheid. Daaruit volgt dat onze toevlucht tot de kapitalistische productie een instemming met en onderwerping aan onze uitbuiting vormt. Elke verhoging van de productie is een schakel meer in onze keten, verergert onze slavernij.

Hoe meer we werken voor de baas, hoe meer we ons bestaan verbruiken en met rasse schreden naar een nabij einde gaan. Hoe meer we werken, hoe minder tijd we hebben om aan intellectuele activiteiten of gedachten te besteden; en hoe minder we kunnen genieten van het leven, haar schoonheden, de bevredigingen die ze ons kan bieden; hoe minder we genieten van vreugde, plezier, van liefde.

Je kan aan een vermoeid en opgebruikt lichaam niet vragen dat het zich toelegt op studie, dat het de betovering voelt van de kunsten (poëzie, muziek, schilderijen), noch dat het oog heeft om de eindeloze schoonheden van de natuur te bewonderen. Een lichaam, uitgeput door arbeid, in de greep van honger en de wegkwijning wilt slechts slapen en sterven. Het is een ironie, een bloedige belediging om te beweren dat een mens, na acht of meer uren van handarbeid, nog genoeg kracht in zich heeft om zich te vermaken, om op een verheffende, geestelijke manier te genieten. Hij heeft na zijn verpletterende dagtaak alleen nog maar de passiviteit om zich af te stompen omdat die alleen maar vereist dat je je laat gaan, dat je je laat meeslepen.

Ondanks haar hypocriete lofzangers is de arbeid in de huidige maatschappij slechts een veroordeling en een afwijking. Het is aftakeling, offer, zelfmoord.

Wat valt eraan te doen? Onze inspanningen concentreren om deze collectieve waanzin die tot crisis brengt te verminderen. Het is belangrijk om de producent te wapenen tegen deze vermoeiende geestdrift, die al even nutteloos als idioot is. Het is noodzakelijk om de materiële arbeid te bestrijden, haar te reduceren tot een minimum, opnieuw luilakken te worden zolang we in het kapitalistische systeem leven dat ons wil doen produceren.

Vandaag de dag is een eerbaar arbeider zijn geen eer, het is vernedering, idiotie, schande, lafheid. Ons ‘eerbare arbeiders’ noemen is met onze kop lachen, ons belachelijk maken, het is ons – na de schade – te kakken zetten. Oh, fijne en magnifieke vagebonden die weten te leven aan de marge van het sociale conformisme, ik groet jullie! Nederig bewonder ik jullie kracht en jullie geest van niet-onderwerping en ik erken dat jullie gelijk hebben ons toe te schreeuwen: “Het is makkelijk wennen aan de slavernij”.

* *

Nee, arbeid verlost niet, het stompt af. De mooie woorden gericht aan de actieve, werkende, gedreven massa’s ; de hymnes aan de strakke spieren ; de vlammende slotrede’s over de arbeid die adelt, die verheft, die ons verlost van de kwade verlokkingen en alle zonden die slechts pure fantasie zijn van personnages die nog nooit de hamer of de sikkel in hun handen hebben gehad, van personen die hun rug nog nooit gebroken hebben op een aambeeld, die nog nooit hun brood hebben verdient door het zweet op hun voorhoofd.

De poëzie die gewijd is aan de handarbeid is gewoon waanzin en bedrog die ons zou moeten doen lachen, of ons zou moeten vervullen van verontwaardiging en rebellie.

De schoonheid van de arbeid… de arbeid die verheft, adelt, verlost!

Ja, ja ! Kijk daar maar, in de verte. Het zijn de arbeiders die uit de fabrieken komen, die uit de mijnen klimmen, die de havens, de velden verlaten na een arbeidsdag. Kijk naar hen, kijk naar hen! Hun schouders kunnen amper die uitgeputte lichamen dragen. Aanschouw hun bleke, gestriemde, afgematte gelaat. Zie hun trieste, doffe ogen, zonder fonkeling of vitaliteit. Ah, die schone, krachtige spieren… de vreugde van de harten voor de arbeid die adelt…!

Dring binnen in die fabriek en aanschouw hen tijdens hun activiteit. Mankende verlengstukken geïntegreerd in de machine die verplicht zijn om duizend, tweeduizend keer dezelfde beweging uit te voeren, automatisch, zoals de machine, zonder dat een tussenkomst van hun hersenen nodig is. Ze zouden hem gewoon op z’n plaats kunnen houden, want eens hij op z’n plaats staat, blijft hij zonder ophouden zijn taak uitvoeren. Hij bewaart niets van zijn persoonlijkheid, van zijn individualiteit. Dit zijn geen voelende, denkende, scheppende wezens. Dit zijn dingen zonder geest, zonder eigen wil. Ze gaan erheen omdat allen erheen gaan. Ze bewegen op een uniform, gelijkmatig ritme, zonder onafhankelijkheid. Men beveelt hen deze beweging uit te voeren en ze moeten het vandaag doen, morgen,… altijd! Als machines!

De moderne productie leidt in tachting procent van de gevallen tot de volledige verwoesting van de menselijke persoonlijkheid. Je vindt geen ambachtslui meer. De kapitalistische productie heeft hen niet nodig. Voor elke nood hebben ze objecten uitgevonden, en machines om alles te doen, en wij zijn er klaar voor om nieuwe noden te scheppen om nieuwe producten te fabriceren. In werkelijkheid is het dát wat nu al gebeurt, en het is daarom dat het leven ingewikkelder wordt en dat leven elke dag zwaarder wordt.

Men heeft de esthetiek der dingen afgeschaft, en men schept slechts in serie, en masse. Men heeft de smaken teruggevoerd tot een algemene lijn; men heeft de individuen eender welke artistieke originaliteit, eender welk verschillend pleziertje afgeleert en men is ertoe gekomen – oh, wonder van de propaganda – om de algemeenheid te doen waarderen die aan de kapitalisten uitkwam om te fabriceren: een identiek voorwerp voor elk verschillend individu.

Er is geen nood meer aan wezens die scheppen, maar aan bedrijven die fabriceren ; nu al – ai! – bestaan er geen ambachtslui of intellectuele arbeiders meer; er zijn alleen nog maar handarbeiders. Men beproeft onze intelligentie niet meer. In plaats daarvan kijkt men of je goede spieren hebt, of je nijverig bent. Men kijkt niet zoveel naar wat je weet maar naar hoeveel je kan produceren. Het zijn niet jullie die de machine doen draaien, het is de machine die jullie doet draaien. En hoewel dat misschien paradoxaal klinken kan, hoewel het niet de hele werkelijkheid is, is het ook de machine die ‘denkt’ wat er moet gebeuren, die jullie alleen maar de verplichting laat om haar te dienen, om te doen wat ze jullie zegt. De machines zijn de hersens en jullie zijn de armen; zij is de denkende, scheppende materie en jullie zijn de ruwe, automate materie; zij is de individualiteit, jullie… de machine.

Afschrikwekkend ! Als er slechts één individualiteit bijvoorbeeld zou binnendringen in de gebouwen van Ford dan zou die de hele machinerie van de productie verwoesten.

* *

De arbeiders zijn slechts dwangarbeiders. Of (mocht dat jullie kunnen troosten) soldaten die ingekwartierd zijn in de fabrieken. Alleen stappen met dezelfde pas; allen – in functie van de variëteit aan voorwerpen – voeren dezelfde bewegingen uit. Wij vinden geen enkele bevrediging in de arbeid die we verrichten; we hebben er geen passie voor omdat we ons er volledig vreemd aan voelen. Zes, acht, tien uur arbeid, zes, acht, tien uur lijden en angst.

Nee, wij houden niet van de arbeid, wij haten haar. Ze is niet onze bevrijding, ze is onze veroordeling! Ze verheft ons niet noch bevrijdt ze ons van onze gebreken; ze maakt ons fysiek kapot en roeit ons moreel uit tot op zo’n punt dat we niet in staat zijn er ons van te ontdoen. In een andere toekomst zal het nodig zijn om deze arbeid uit te voeren, dat weet ik, maar dat zal altijd tegen onze zin zijn zolang we ook morgen zo’n systeem willen in stand houden om onze inspanningen te sparen. Het zal altijd lijden zijn, zelfs wanneer de werkdag vermindert wordt tot minder uren.

Ik weet niet wat de dieren denken over de last die men op hun rug plaatst, maar ik kan zeggen dat wat ik zelf observeer en voel, is dat de mens alleen intellectuele en artistieke arbeid met plezier, met een reële bevrediging, uitvoert. Als hij op z’n minst zijn offer niet beschouwt als verspilling en nutteloos, dan zou de mens zich met moed wapenen en zou zijn vermoeidheid hem minder bitter, minder pijnlijk lijken. Maar wanneer je ziet dat al zijn inspanning verspild wordt, dat het niets anders is dan het werk van Sisyphus die getergd wordt door ontelbare rampen en offers bij elke mislukking, dan vlucht de moed weg uit z’n hart en dan steekt in elk bewust wezen, in elk voelend en menselijk wezen, de haat op tegen deze barbaarse en criminele stand van zaken… en dan is de afkeer van en rebellie tegen de arbeid onvermijdelijk.

Zo begrijp je dus dat er non-conformisten bestaan die zich niet willen plooien naar deze weerzinwekkende slavernij. Je begrijpt dat er ontembare vagebonden bestaan die de onzekerheid van morgen – het grootste deel van de tijd zonder de minste stuiver die aan de permanente arbeider wordt toegekend – verkiest boven zich te onderwerpen aan dit vernederend systeem. Je begrijpt de onverbeterlijke zwerver, zonder genie als je wil, maar die geen alleszins niet meestapt in de zo vernederende stoet… En je begrijpt ook de grote luilakken, de lamme idealisten die hun leven doorbrengen in volledige broederschap met de natuur, die ervan genieten om de wonderlijke dageraad, de melancholieke avondschemering te aanschouwen, die hun geesten vullen met de melodieën die alleen een eenvoudig en vrij leven hen kan schenken, die de stilte opleggen aan de nijpende behoeften van de maag om niet te vervallen tot de slavernij waartoe wij anderen gedwongen worden. Ze zetten zich neer aan de kant van de weg en overzien met een eindeloze droefheid en diep medelijden de zwarte karavaan die dag in dag uit, gehoorzaam en verslagen, naar de fabrieken-gevangenissen gaat die hen reeds uitgeput opslorpen en ’s nachts als kadavers uitbraken.

En ze vluchten, ze vluchten, deze luie idealisten wiens hart onderdrukt wordt door het aanschijns van zoveel dwaasheid, zoveel ellende en zoveel waanzin. Ze vluchten naar een vrij, ongehoorzaam, non-conformistisch leven en zeggen tegen zichzelf, uit het diepst van hun hart, dat eerder dan zich elke dag weer te onderwerpen aan dit ellendige, smerige en van verheffing en spiritualiteit verstoken leven, ze nog liever dood zijn.

De handenarbeid onder het kapitalistische regime haten betekent niet de vijand zijn van alle activiteit, net zoals de individuele onteigening aanvaarden niet betekent oorlog voeren tegen de arbeider-producent, maar tegen de kapitalist-uitbuiter.

Deze idealistische vagebonden die ik zo bewonder zijn actief, hebben een intens geestelijk leven rijk aan ervaringen, beschouwingen, genot. Het zijn vijanden van de arbeid omdat een groot deel van hun inspanningen erdoor verspild zou worden; ze kunnen zich daarenboven niet onderwerpen aan de discipline die zo’n soort activiteit vereist en ze willen niet verdragen dat men van hen een hersenloze machine maakt en dat men, uiteindelijk, in hen alle persoonlijkheid (dat wat ze het meest waarderen) doodt.

Onder deze spirituele vagebonden – weigeraars van de domesticatie en de kapitalistische discipline – is het nodig de onteigenaars op te zoeken, de voorvechters van de individuele onteigening, diegenen die niet willen wachten totdat de massa’s klaar en bereid zijn om de collectieve daad van sociale rechtvaardigheid te volbrengen. Door zorgvuldig de psychologische, ethische en sociale nuances die hun houding bepalen te bestuderen, kan men deze daden beter begrijpen, verantwoorden en waarderen, maar ook zich verdedigen tegen de zwartgallige aanvallen van velen die hoewel ze er dezelfde ideeën over tal van andere problemen op nahouden, zich onderscheiden door met slijk te smijten naar deze ongeduldigen die niet kunnen berusten in afwachting van de dag van de collectieve verrijzenis.

Het recht op individuele onteigening kan niet ontzegd worden omdat het zich baseert op een bepaald collectief recht op onteigening. Indien we socialisten of communisten-bolsjevieken waren, dan zouden we aan het individu het recht om zich dat deel van de rijkdommen die hem toekomen als zijnde producent – met de middelen die hij het meest adequaat acht – toe te eigenen. Omdat de bolsjewieken en de socialisten de individuele eigendom ontkennen en maar één vorm van eigendom toelaten: de collectieve eigendom. Maar dat is niet het geval bij anarchisten, of ze nu individualisten of communisten zijn, omdat allen in theorie en in praktijk zowel individuele als collectieve eigendom erkennen. En als je het recht op individueel bezit erkent, hoe zou je dan aan het individu het recht kunnen ontzeggen om zich te bedienen van de middelen die hij opportuun acht om zich toe te eigenen wat hem toekomt?

Elke schuldeiser (dat zou het geval zijn van de productieve klasse tegenover de kapitalistische klasse) grijpt zijn schuldenaar bij de keel op het moment en op de manier die hem uitkomt en krijgt zo zijn goed terug – dat hem door leugen en geweld ontrukt is – in een zo kort mogelijke tijdspanne. Het individu, dat zich baseert op vrijheid – en de vrijheid is de doctrine van de anarchie – is de unieke en enige scheidsrechter van deze daad van toe-eigening.

Als de wenselijkheid en noodzakelijkheid van een collectieve daad erkend wordt, van een sociale revolutie om de bourgeoisie te onteigenen, en het individu – zelfs een individualist – zich vrijwillig achter dit idee schaart, dan is dat omdat er een algemeen geloof bestaat dat een collectieve inspanning ons gemakkelijker zou kunnen verlossen van de economische en politieke slavernij.

Maar sinds jaren is dit vertrouwen bij vele anarchisten verzwakt.

Men heeft uiteindelijk moeten toegeven dat een echte bevrijding, een diepgaande, anarchistische bevrijding, die de fetisj van de autoriteit zou wegvagen uit het bewustzijn van de massa’s (met de zekerheid dat die nooit meer terugkomt) en die ons zou toelaten een stand van zaken in te stellen die de vrijheid van niemand van ons zou krenken, een brede culturele voorbereiding nodig heeft… en bijgevolg vele jaren van lijden onder de kapitalistische uitbuiting. Zo komt het dat veel van onze rebellen die eerst enthousiast de idee van een onteigenende revolutie omhelst hadden, zich gezegd hebben – zonder zich daarom te dissociëren van het noodzakelijke werk van revolutionaire voorbereiding – dat zo’n hoop het offer van een heel leven betekende, een leven geconsumeerd in hatelijke en beestachtige omstandigheden, zonder enig geluk, zonder genot en dat de morele bevrediging van een strijd voor de menselijke bevrijding geen voldoende aansporing was om haar lasten te verdragen.

“We hebben maar één leven,” spraken ze vanuit hun hart, “en dat haast zich naar het einde aan de snelheid van een bliksemschicht. Het bestaan van een mens is tegenover de tijd echt maar een vluchtig moment. Als dit moment ons ontsnapt, als we er het sap niet kunnen uitpersen dat het ons kan geven onder de vorm van geluk, dan is ons bestaan zinloos en dan verspillen we een leven, een verlies dat ons de mensheid niet zal teruggeven. Daarenboven is het vandaag dat we moeten leven, niet morgen. Het is vandaag dat we recht hebben op ons deel van het plezier en dat wat we vandaag verliezen, kan morgen ons niet meer teruggeven: dat is definitief verloren. Daarom is het vandaag dat we willen genieten van ons deel van het goed, het is vandaag dat we gelukkig willen zijn.”

Geluk wordt niet geboren uit slavernij. Geluk is een gift van de vrije mens, van de mens die meester is van zichzelf; het is de opperste gunst van de mens, de mens die weigert om een genummerd beest te zijn, een beest dat berust in haar lijden, dat produceert en alles ontbeert. Geluk verkrijg je in de luiheid. Je verkrijgt het ook in de inspanning, maar in de nuttige inspanning, in de inspanning die een beter welzijn voortbrengt – de inspanning die de variëteit van mijn verwervingen verhoogt, die me verheft, die me echt verlost.

Er is geen geluk mogelijk voor de arbeider die tijdens zijn hele leven in beslag genomen wordt door het oplossen van het vreselijke probleem van de honger.

Er is geen geluk mogelijk voor de paria die geen andere bezorgdheid kent dan zijn werk, die over niets anders beschikt dan de tijd die hij besteedt aan z’n werk. Zijn leven is echt triest, echt leeg en om het te verdragen en ermee voort te gaan, om het te aanvaarden zonder te rebelleren, heb je veel moed of een grote dosis lafheid nodig.

Vanuit het verlangen om te leven, vanuit de intieme en diepe wanhoop die ons in het perspectief plaats van een leven dat geconsumeerd wordt ter profijt van onwaardige mensen, vanuit de verslagenheid die je voelt bij het verlies van de hoop op een collectieve redding tijdens het vluchtige traject van ons korte bestaan: vanwaaruit vormt zich de individuele rebellie; het is met deze vlammen dat de daden van individuele onteigening zich voeden.

Het leven van de onbewuste arbeider is triest, echt triest, maar – arme ik! – dat van een anarchist is echt tragisch.

Als jullie al dit lijden niet voelen, al de wanhoop van jullie tragische situatie, sta me dan toe te zeggen dat jullie een konijnenhuid hebben en dat het juk jullie niet zo slecht afgaat. En als het juk niet op jullie weegt; als jullie door jullie specifieke situatie de directe onderdrukking van de baas niet voelen; als jullie, ondanks al jullie oppervlakkige klaagzangen, niet kunnen leven zonder werk omdat jullie niet weten hoe jullie je uren van luiheid moeten invullen en dat het gebrek aan handenarbeid jullie vreselijk verveelt; als jullie erin slagen om de dagelijkse routine van het bureau te verdragen, om de voortdurende verwijten van de onnozele of kwaadwillende kleine bazen te respecteren, terwijl jullie eerst sterven aan het werk en dan van de honger zonder de goesting te voelen om komaf te maken met de meest hatelijke der criminelen, dat jullie hem broeder noemen; dan hebben jullie niet de graad van gevoeligheid bereikt die nodig is om het spirituele lijden en de sociale motieven (waarover ik reeds gesproken heb) te begrijpen die de daden van individuele onteigening bepalen en dan hebben jullie nog minder recht om ze te veroordelen.

Want niet alleen weet de anarchist wat er hatelijk is aan het beestachtige, criminele werk dat zelden nuttig is voor zijn welzijn en voor dat van de mensheid; niet alleen ziet hij er zich toe verplicht om zelf deel te nemen aan de vrijwaring van zijn eigen slavernij, die van zijn kameraden en die van het volk in het algemeen, maar ook moet hij dit werk uitvoeren op zo’n manier en in zo’n vreselijke, zo’n onverdraaglijke en gevaarlijke omstandigheden dat zijn leven op elk moment van zijn lange dag bedreigd wordt; omdat zijn arbeid, bepaald werk dat enkele categorieën van arbeiders moeten uitvoeren (ik zeg ‘categorieën’ omdat er verschillende arbeiders zijn die noch de beestachtigheid noch het vreselijke gevaar kennen van bepaald werk dat door andere arbeiders verricht wordt) niet alleen een ware slavernij inhoudt, maar ook gelijkgesteld kan worden met aan ware zelfmoord.

In de diepte van de mijnen, naast monsterlijke machines, in de helse kelders ten midden van ongezonde producten, ligt de dood altijd op de loer. Lichamen die teringachtig worden, vergiftigde longen, verminkte ledematen, gebroken lichamen, ogen die licht ontberen, de schedel verbrijzeld: daar zijn de eerbare arbeiders, bij duizenden met brood dat in zweet gedrenkt is. Geen enkel medelijden met hen, geen enkele moraal, geen enkele religie om de profiteur te ontroeren die zijn miljoenen bijeen schaart door dagelijkse misdaden om nog wat meer winst te bekomen, om zijn kassa’s met enkele extra centiemen te vullen.

Is het daarenboven nodig om het ongeluk dat iemand van hen dankzij het geforceerde toeval van één van ons kan overkomen te omringen met onze tederheid, om onze traanzak te legen?

De waarheid is dat we ons goed, menselijk en genereus moeten tonen wanneer het erom draait de beurs of de huid van onze vijanden te respecteren en dat we brave lammetjes moeten zijn wanneer onze vijanden ons op onze zenuwen werken.

Waarom hebben we niet het recht om op individuele manier, zonder collectieve toestemming, het zwaard van de rechtvaardigheid in eigen handen te nemen? – Verkracht de maagdelijkheid van de gemeenschappelijke moraal niet met uw niet-geheiligde zonden! Een beetje geduld, mijn broeders, het rijk van de Heer zal voor allen komen!

“Als jullie honger hebben, grom dan maar wees rustig: we zijn nog niet klaar. Als we je platslaan, brul dan, maar beweeg niet: we hebben nog te veel gewicht aan onze benen. Als ze jullie massacreren nadat ze jullie bestolen hebben, hou het daarbij! Richt je hoofd naar de dief, we zullen jullie tot held uitroepen. Maar als jullie geld willen pakken zonder onze toestemming, zelfs al is het op eigen risico, doe dat niet, want anders zullen jullie niets anders zijn dan ordinaire bandieten. Dat is de moraal, onze moraal.”

Wel verdomme!

Ik zou de volgende vraag willen stellen : wanneer het kapitaal me besteelt en me laat sterven van de honger, wie wordt er dan bestolen en wie sterft er van de honger, ik of de collectiviteit? Ik? En waarom zou alleen de collectiviteit dan het recht hebben om aan te vallen en zich te verdedigen?

Ik weet dat de kwestie van de onteigenaar zich kan lenen tot vele foute interpretaties, tot vele vergissingen. Maar de fout van dat alles, de verantwoordelijkheid voor de vervalsing van de ethische, sociale en psychologische motieven die de individuele daden van onteigening hebben bepaald en bepalen – in de meerderheid – komen voor het grootste deel toe aan de slechte wil van hun critici.

Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat al die kritieken van slechte wil zijn, omdat ik goed weet dat er een groot deel kameraden is die oprecht geloven dat deze daden schadelijk zijn voor de onmiddellijke doelen van onze propaganda. Wanneer ik spreek over slechte wil, dan heb ik het over die zo sectaire en zo individualistofobe anarchisten die beginnen te praten over ‘diefstal’ bij elke daad van onteigening. Zo willen ze aan die geste elke sociaal en ethisch basis ontnemen die vanuit een anarchistische visie te rechtvaardigen valt, om haar te associëren en gelijk te stellen aan de daden van al die gefrustreerde en onbewuste individuen (over het algemeen verontschuldigbaar omdat ze een waar product zijn van de huidige maatschappij) die dief zijn met dezelfde overschilligheid als zouden ze beul zijn indien dit beroep hen zou geven wat ze zoeken.

Toch wil ik verre van de onteigenaar altijd en in elke omstandigheid rechtvaardigen. Een laakbaar feit bij een zeker aantal onteigenaars is de corruptie waar ze zich aan overleveren wanneer ze een goede slag geslagen hebben. In bepaalde gevallen, ik geef het toe, zijn kritiek en veroordeling gerechtvaardigd, maar ondanks alles mogen die niet verder gaan dat wat gezegd wordt over de goede arbeider die zijn loon opdoet in drinkfestijnen en bordelen, iets wat jammerg genoeg nog voorkomt en ook regelmatig bij ons.

Door bepaalde critici is gezegd dat de apologie van de individuele daad bij bepaalde anarchisten een slinks utilitarisme opwekt, een nauwe mentaliteit die in contradictie is met de principes van de anarchie. Deze zo wispelturige veronderstelling komt neer op beweren dat elke anarchist die in contact staat met niet-anarchistische elementen uiteindelijk op een anti-anarchistische manier gaat denken.

Er is nog iets dat ik niet wil vergeten zeggen : aangezien de onteigening een middel is om zich individueel te onttrekken aan de slavernij, moeten de risico’s individueel geragen worden. Kameraden die de onteigening ‘op zich’ in praktijk brengen verliezen alle recht – zelfs als dat bestaat voor andere activiteiten, wat ik niet geloof – om solidariteit te eisen van onze beweging wanneer ze in de nesten zitten.

Mijn bedoeling met deze studie is niet om de apologie te maken van dit of dat feit, maar om de wortels van het probleem aan te raken, om het principe van en het recht op onteigening te verdedigen en het slechte gebruik dat sommige onteigenaars maken van de vrucht van hun onderneming vernietigt niet het feit zelf, zoals het feit dat er uitmuntende rotzakken zijn die zich anarchisten noemen de ideologische inhoud van de anarchie niet vernietigd.

Laten we de zwaarste beschuldiging, de meest extreme veroordeling onderzoeken : diegenen die de daden van individuele onteigening verdedigt, breekt met de anarchistische principes. Men heeft onteigenaars ‘parasieten’ genoemd. Dat is zeker, ze produceren niets! Maar het zijn onvrijwillige, gedwongen parasieten omdat er in de huidige maatschappij alleen maar parasieten of slaven kunnen zijn.

Het lijdt geen twijfel dat het parasieten zijn, maar niemand kan hen ‘slaven’ noemen. De slaven zijn voor het overgrote deel ook parasieten, maar dan wel veel duurder dan de onteigenaars. En het parasitisme van deze meerderheid van producenten is veel immoreler, laffer en vernederender dan die van de onteigenaars.

Zouden jullie iemand die tewerkgesteld is in de productie van sieraden, van tabak, van alcohol of… die dienster is van de priester een eerbare producent of een parasiet noemen?

Men zal me zeggen dat ook dit parasitisme opgelegd is, dat de noodzaak om te leven ons ondanks onszelf verplicht om ons te onderwerpen aan deze negatieve en schadelijke activiteit.

En met dit povere excuus, met dit laffe voorwendsel verdienen we ons brood op een schaamtelijke en bijna criminele manier, een echte medeplichtigheid in het delict, een criminaliteit die niet moet onderdoen voor die van de eerste verantwoordelijken : de bourgeois.

En zouden jullie tenslotte kunnen ontkennen dat de weigering om te collaboreren met de chaos van dit criminele regime meer anarchistisch is? Zouden jullie misschien kunnen ontkennen dat tweederde van de bevolking van onze metropool parasieten zijn?

Het valt niet te ontkennen dat als men voor producenten alleen maar diegenen neemt die tewerkgesteld zijn in een echt nuttige productie, het overgrote deel van de mensheid moet beschouwd worden als parasieten. Of jullie nu werken of niet werken, als jullie geen deel uitmaken van de categorie van arbeiders of de zeldzame echt nuttige categorieën, dan kunnen jullie alleen maar parasieten zijn, zelfs als jullie jezelf nemen voor eerlijke arbeiders.

Tussen de parasiet-arbeider die zich onderwerpt aan de economico-kapitalistische uitbuiting en de onteigenaar die rebelleert, verkies ik de laatste. Hij is een rebel in actie, de ander is een rebel die blaft, maar… niet bijt, of pas zal bijten op de dag van de erg heilige verrijzenis.

Door de inspanning te verdelen over de hele collectiviteit, zou twee of drie uur arbeid per dag volstaan om alles te produceren wat we nodig hebben om een eerlijk leven te leiden. We hebben dus recht op luiheid, recht op rusten. Als het huidige sociale systeem ons dit recht ontzegt, dan is het nodig om het met alle middelen te veroveren.

Eigenlijk is het triestig om te moeten leven van de arbeid van anderen. We proeven de vernedering ons gelijk te voelen aan de bourgeoisparasieten, maar we smaken ook grote sensaties.

Parasieten, ja; maar ze bezuipen zich niet tijdens bittere en vulgaire drinkfestijnen, ze voelen zich niet gefolterd te weten dat ze één van diegenen zijn die vernederd worden en vastgeketend zitten aan het span van de overwinnaar en de weg bevlekken met hun eigen bloed; één van diegenen die rijkdommen aanbieden aan de parasieten en sterven van honger zonder te durven rebelleren; één van diegenen die paleizen bouwen en leven in krotten, die graan telen en hun kinderen niet kunnen voeden; één van de anonieme en afgestompte massa die even haar hoofd opheft wanneer ze slagen krijgt van de meester en zich dan elke dag weer onderwerpt, zich conformeert aan de huidige sociale orde en eens haar tijdelijke houding overwaait alle schandelijkheden, alle laagheden tolereert, vergemakkelijkt en begaat.

Geen producenten, zeker, maar geen medeplichtigen. Geen producenten, nee; dieven zo jullie willen – als jullie lafhartigheid nood heeft aan een extra bekrompenheid om jullie te troosten -, maar geen slaven. Pal tegenover de vijand, met blikkerende tanden, nu, vanaf vandaag.

Vanaf vandaag, gevreesd en niet vernederd.

Vanaf vandaag, in staat van oorlog tegen de bourgeoismaatschappij.

Alles, in de huidige kapitalistische wereld, is slechts onwaardigheid en delict ; alles maakt ons beschaamd, alles maakt ons misselijk en doet ons walgen.

We produceren, we lijden en we sterven als honden.

Laat op z’n minst aan het individu de vrijheid om waardig te leven of als een man te sterven als jullie zelf willen blijven creperen als slaven.

De bestemming van de mens, zegt men, is wat hij ervan weet te maken en er is vandaag slechts één alternatief: rebellie of slavernij.